TEGENDRAADS-1
Evenals de Duitsers denken wij gewoonlijk “na” in plaats van “voor” (“nachdenken”, “nadenken”). Daarom wil ik, misschien nog net niet als mosterd na de maaltijd, even uw aandacht vragen voor de ontslagbescherming. Ik heb een goede opleiding, ben 61 jaar oud, ben in het genot van een bijstandsuitkering en heb veel werkervaring met vrijwilligerswerk maar slechts weinig met betaald werk. Op de valreep van mijn leven op werkbare leeftijd wil ik nog even ècht de arbeidsmarkt betreden.
Ik kan mij vergissen, maar ik heb het gevoel dat werkgevers last hebben van koudwatervrees. Zij zijn bang dat ze, als ze mensen in dienst nemen, er indien nodig niet meer vanaf kunnen komen. En zij willen al helemaal geen mensen in dienst nemen met al te veel levenservaring. Daarom ben ik misschien gedoemd om tot ik de pensioengerechtigde leeftijd bereik zonder betaald werk te blijven.
Kan er dan aan geen van de genoemde blokkades iets gedaan worden? Mijn leeftijd kan niemand veranderen. Nu weet ik dat werkgevers als de nood aan de man komt best van hun werknemers af kunnen komen, maar de regeling van de ontslagbescherming kan nog even gauw worden gewijzigd. Dat dit strikt gesproken helemaal niet nodig is blijkt uit de volgende anekdote.
In één van mijn weinige betaalde werkkringen had mijn werkgever mij opgedragen te laten zien hoe hij van ons af kon komen. De werkgever, een genootschap op religieuze grondslag, gaf toen voor de boekhouding aan ongeveer tien mensen werk maar wilde van ze af: het genootschap wilde voortaan al het werk door eigen mensen, toegewijde aanhangers, laten doen. Eerst sputterde ik tegen, maar ten slotte deed ik wat mij gevraagd was. Ik vestigde op het arbeidsbureau de aandacht op één collega, schreef dat bij de werkgever de organisatiestructuur veranderd zou worden en vroeg voor de werkgever toestemming om haar te ontslaan. Ik werd er op het werk niet populair van, maar het arbeidsbureau stelde vast dat er bij de werkgever een reorganisatie plaats zou vinden: de toestemming werd zonder problemen verleend en de betrokken collega werd ontslagen. De andere collega’s begonnen toen plannen te maken om voor zichzelf te beginnen, maar ìk werd hierbij natuurlijk niet betrokken. Zij vertrokken, begonnen voor zichzelf en ik bleef alleen achter. Toegewijd was ik genoeg, maar aanhanger wilde ik niet worden....
Het is dus gemakkelijk genoeg als je maar weet hoe het moet. Maar sommige werkgevers zien dit anders. Daarom lijkt het me een goed idee als de ontslagbescherming wordt herzien; niet om het echt gemakkelijker te maken maar om te laten zien hoe gemakkelijk het eigenlijk is. Bij voorbeeld door het een beetje transparanter bij elkaar in één wettelijke regeling te zetten. Er zijn nu immers twee verschillende instanties bij betrokken: de rechterlijke macht en het CWI, de huidige naam van het arbeidsbureau. Misschien kan met één instantie worden volstaan – natuurlijk wel met recht op hoger beroep.
De media zullen het de werkgevers dan nog eens duidelijk uitleggen, het wordt wat transparanter, werkgevers raken de helft van hun koudwatervrees kwijt en: misschien bereik ik dan toch nog in loondienst de pensioengerechtigde leeftijd.
Oegstgeest, maandagochtend twaalf november 2007, Tegen Draads
CDA-Basisgroep Sociale Zekerheid, maart 2006
maandag 12 november 2007
zaterdag 27 oktober 2007
Basisgroepvoorzitter Arend Jansen: toespraak op jubileumbijeenkomst CDA-Basisgroep Sociale Zekerheid op zaterdag 27 oktober 2007
Sociaal…wanneer?
Sociaal wanneer luidt de titel van dit jubileumcongres.
Dat zijn gedachten die maar al te vaak door de hoofden gaan van mensen die om wat voor reden dan ook van een minimumuitkering moeten leven. Niet voor niets speelt deze gedachte ook vaak een rol in de discussies die basisgroep intern heeft of met onze gasten. Het zij Tweede Kamerleden, of mensen die wij uitnodigen.
Twintig jaar basisgroep en twintig jaar ervaringen uit de praktijk verwoorden en voor het voetlicht brengen. Moet je dan als voorzitter terugblikken of vooruitkijken?
Moet ik het over de partij hebben, ons CDA, die het als enige partij in Nederland heeft gepresteerd om een werkgroep van, voor en door uitkeringsgerechtigden in hun midden te hebben. Als ik partij zeg, bedoel ik daar uiteraard ook de Tweede Kamerfractie mee.
Moet ik het hebben over de pioniers Louis Flapper en Frans Wolters? Die met hun idee nou niet bepaald een warm onthaal hadden.
Moet ik hebben over de evangelische boodschap en de worsteling van CDA-politici hiermee in de praktische politiek van alledag. Vooral wat de positie van de minima en uitkeringsgerechtigden betreft.
Ik zal het allemaal aanstippen, maar ik begin met de mensen van de basisgroep en met degenen voor wie wij een stem proberen te zijn.
Zoals u misschien wel weet, moet je als je lid wil worden van de basisgroep een uitkering hebben of gehad hebben. Wat voor uitkering dan ook. Ervaringsdeskundige zijn op dat gebied. Dat hadden de mensen van het eerste uur goed gezien.
Niet over hen, maar met hen. Zelf vind ik het woord ervaringsdeskundige niet zo prettig om te gebruiken en in verband te brengen met de marge van het bestaan. Want dat is wel de werkelijkheid voor tachtig procent van de uitkeringsgerechtigden. Gebruik alstublieft niet het woord uitkeringstrekkers. In de pers duikt dat woord weer steeds vaker op. Het woord uitkeringsgerechtigde komt trouwens uit de basisgroep. Dat heeft de toenmalige Tweede Kamerfractie van het CDA overgenomen. Zo zie je maar.
Als je in een uitkeringssituatie zit of hebt gezeten, is er meestal iets gebeurd met je leven. Je komt niet zomaar in zo’n situatie. En al helemaal niet vrijwillig. Het overkomt je vaak ongevraagd. Je lichaam of geest functioneert niet zoals het zou moeten. Of je komt alleen te staan met je kinderen. Waardoor? Ik vind dat niet zo belangrijk.
Velen voelen zich in die situatie vaak machteloos. Zijn vaak ook woordeloos, vooral ook in het begin van een onverwachte uitkeringssituatie. De één komt in verzet, de ander blijft apathisch. Maar allemaal, uitzonderingen daargelaten, willen er weer uit. Weg van die wereld van eindeloze gesprekken, met welke instantie dan ook. De wereld van een niet ophoudende stroom van formulieren die ingevuld moeten worden. Transparant worden. Wie je bent. Hoe je leeft. Hoe komt het zo? Waar kom je vandaan? Het voelt of je naakt voor de spiegel staat, in een drukke winkelstraat.
Je wordt vaak zo moedeloos van al dat gedoe. Degenen die dit leven niet kennen, snappen er soms niets van. Daarom voelen we ons vaak in de steek gelaten. En als het dan slecht gaat met het land, volgens de wijze heren en dames, dan denken we vaak dat het onze schuld is. De eerste maatregelen die meestal worden getroffen, treffen ons vaak als eerste.
Dan worden er maatregelen uit de kast gehaald die we maar al te goed herkennen.
Korten op de uitkeringen.
Nog scherpere regels voor keuringen en herkeuringen en vervolgens een lagere uitkering.
Verscherpte toetredingsvoorwaarden.
En wat ons het hardste treft: de nullijn. Officieel aangekondigd of verborgen in het beleid. Ook wij moeten dan offers brengen. Bij ons is het dan ook echt een offer. Een rib uit ons lijf. Anders is het geen offer. Maar als we dan om ons heen kijken en zien dat de boel gewoon doordendert, dan worden we wel eens opstandig en cynisch. Alles groter en duurder. Steeds vaker en verder weg met tripjes en vakanties.
Dan geloven we niet meer in een overheid die volgens CDA-begrippen als een schild moet zijn voor de zwakke en moet opkomen voor de rechten van de arme.
Dan is het zo dat wij anders voelen. Anders analyseren. Anders rekenen dan de meeste instituten met hun koopkrachtplaatjes. Dat onze emoties eerder opspelen. Dat wij vaak andere conclusies trekken die degenen die het zeer goed gaat. Dat wij iets anders van de C en het Appèl verwachten dan de praktische politiek ons meestal brengt. Dat wij daarom dan ook anders in die partij van ons zitten.
Mogen wij een andere benadering verwachten van een partij zoals de onze, wat betreft uitkeringen en armoede? Wat onderscheidt een partij die uitdaging aan wil gaan door een C voor de naam te zetten en vanuit die C een appel doet, van andere partijen? Mogen wij van onze partij meer verwachten dan alleen een kille, financiële, economische benadering? Mogen we van zo’n partij meer verwachten dan het tot dogma verklaren van Europese regelgeving op financieel gebied?
Moet zo’n partij zich vooral laten leiden door fraude in de uitkeringswereld? Moet zo’n partij bang zijn dat onze concurrentiepositie met het buitenland verslechterd, als we de uitkeringen structureel verhogen? En wordt ons minimumloon dan echt te hoog?
Kortom, wat zie je als partij als doel en wat slechts als middel.
Ik ben van mening dat een partij die de Bijbel als richtsnoer neemt bij haar politiek denken en handelen, zich moet onderscheiden van partijen die dat niet doen.
In de Bijbel staan vele verhalen over gerechtigheid, rechtvaardigheid en barmhartigheid. En vooral oproepen daartoe in het oude testament. In het nieuwe testament vertelt Jezus vaak gelijkenissen om ons een spiegel voor te houden. Vaak zet hij zich rechtvaardig en gelovig noemende mensen voor het blok en te kijk.
In het verhaal van de ‘Barmhartige Samaritaan’ ligt er iemand langs de weg. Misschien wel langs de weg van het leven. Vol butsen en blaren. Gewond. Niet meer in staat zichzelf te helpen. Zichzelf te redden. Er lopen mensen langs hem heen van wie je mag verwachten dat zij, gezien hun positie en beroep, hem zouden helpen. Dat ze mededogen en barmhartigheid zouden tonen. Dus niet. Doof en blind zijn ze voor mensen die langs de gangbare paden van het leven zijn terecht gekomen.
In Matteus 25 houdt Jezus ons de vraag voor of we echt wel zien wie onze hulp nodig heeft. Voeden we de hongerige. Geven we de dorstige water. Geven we de vreemdeling onderdak. Geven de schamel geklede kleren. Zoeken we degenen op die gevangen zitten. Misschien wel in het leven.
De Bijbel wijst nergens rijkdom en welvaart af. Sterker nog, er komen nogal wat miljonairs in voor. Abraham, Jacob, natuurlijk Salomo, de rijke jongeling en de rijke man die Lazarus aan de poort liet zitten. Het roept op gebruik te maken van je talenten. Je talenten begraven en erop gaan zitten, wordt veroordeeld. Je blijft zitten waar je zit en komt geen stap verder. Maar er staat ook, dat je het niet alleen aan jezelf te danken hebt als je rijkdom verwerft. Dat rijkdom niet alleen toebehoort aan wie het verkrijgen. Je moet er afstand van kunnen doen. Je moet kunnen delen.
Vertaald naar deze tijd zou je kunnen zeggen dat de sterkste schouders de zwaarste lasten moeten dragen. Waarom moeten we dan, als het gaat om de nullijn, van het weinige dat we hebben nog inleveren. Waarom is de minimumuitkering niet zo hoog dat we alleen in het uiterste geval de bijzondere bijstand nodig hebben? Waarom moet ook iemand op het minimum een eigen bijdrage voor de zorg betalen? Waarom een herkeuring? Waarom kom je in de bijstand terecht, nadat je plotseling arbeidsgeschikt wordt verklaard, maar geen werkgever je wil hebben? Waarom is men toch zo bang om de uitkeringen, zoals in ons oude programma van uitgangspunten staat, de loonontwikkeling te laten volgen?
Ik kan u verzekeren dat ieder mens die gezond van lijf en leden is, misschien geholpen door medicatie, wil werken. Bezig wil zijn. Voldoening van het leven wil hebben. Trots op zichzelf wil zijn. Dan heb ik het over betaald werk, want dat geeft wel de meeste voldoening. Natuurlijk is dat er ook wel in het vrijwilligerswerk, maar dan gaat er eerst een strijd met jezelf en je omgeving aan vooraf. Dan heb ik het over het noodgedwongen verrichten van vrijwilligerswerk, omdat je geen betaald werk kunt krijgen. Blijf je in dat vrijwilligerswerk steken, dan wordt het gewoon werk. Soms wordt het zo gewoon, dat andere mensen voor hetzelfde werk betaald worden.
Participatie is maar een deel van ons verhaal. Het andere deel is, dat als je bent aangewezen op een uitkering, je geen zorgen hoeft te maken over het betalen van primaire levensbehoeften. Daartoe moet je in staat worden gesteld door de regering. Een regering waarin ons CDA slechts zelden niet participeert.
Dan ben ik weer terug bij ons CDA. En ik zeg het klip en klaar. Die partij is ook van ons. Van de minima. De mensen die langs de weg staan van betaalde arbeid en welvaartsgroei. Dat wij dan opstandig reageren en onze stem verheffen, komt door de angst dat men ons niet begrijpt. Dat politici hun eigen beeld hebben van wat het is om aan de financiële onderkant te leven. We spreken dezelfde taal en toch verstaan we elkaar soms niet. De angst dat politici die geen boodschap hebben aan de C en het appel daarop er met de partij vandoor gaan. Let wel, ik heb het hier over angst. Of die angst de werkelijkheid is, of soms bewaarheid wordt, moet ieder maar voor zichzelf uitmaken.
Met die opstandige houding bevinden wij ons in goed gezelschap. In de Bijbel staan genoeg verhalen over mensen die opstaan en de overheid ter verantwoording roepen. Toen ook al werd er door de heersers geïrriteerd gereageerd. Dan druk ik het nog zwakjes uit. Ik denk niet dat er toen al spindoctors waren die een persbericht onschadelijk maken, of de informerende journalist op het verkeerde been zet. Wat wij als basisgroep soms doen, is dus van alle tijden.
Ik sluit af met de partij en fractie. Het getuigt van lef en je kwetsbaar durven opstellen, als je als partij en fractie het mogelijk maakt een werkgroep als de basisgroep te laten functioneren. Daar kunnen andere partijen een voorbeeld aan nemen.
Voor het ontstaan en het aarden van de basisgroep is één politicus van onschatbare waarde geweest, namelijk Frans Wolters. Dwars door alles heen bleef hij ons inspireren en maakte hij het mogelijk dat we door gingen. Om hem daarmee te eren hebben we als basisgroep de Frans Wolters-prijs ingevoerd. Éénmaal in de twee jaar wordt die uitgereikt. Aan mensen, organisaties, gemeenten die zich verdienstelijk hebben gemaakt, of iets opmerkelijks gedaan en bedacht hebben, op het gebied van sociale zekerheid. Het gaat dan niet meteen om iets groots. Het kan ook iets in het klein zijn. Iets in het verborgene. Zoals mijn moeder mij dat vroeger leerde.
Met dit alles wil ik zeggen, dat het CDA een opmerkelijk partij is. Andere partijen is het niet gelukt om zo’n werkgroep in hun midden te hebben, of te dulden. Ook al noemen ze zichzelf sociaal of progressief. En denk nu niet dat die partijen zo’n werkgroep niet nodig hebben. Meer dan dat zelfs. Al was het maar om te beginnen met sociaal op te treden binnen hun eigen partij.
Ter afsluiting, voorzitter, hoop ik dat onze partij zich niet te veel laat afleiden, door rijkdom en welvaart. Maar dicht bij de bron blijft die richtsnoer is in haar politiek denken en handelen. Ik spreek de wens uit dat de basisgroep ook in de toekomst zijn plaats blijft behouden in de partij. Dat we samen optrekken met partij en fractie. We zullen heus nog wel een keer uit de pas lopen. Maar ik ben er diep van overtuigd, dat we samen een samenleving voor ogen hebben, waar een ieder tot zijn recht komt en datgene krijgt waar hij recht op heeft. Dat we samen dezelfde samenleving voor ogen hebben en daaraan blijven werken.
Ik hoop dat wij hier vandaag een genoeglijke dag hebben.
Sociaal wanneer luidt de titel van dit jubileumcongres.
Dat zijn gedachten die maar al te vaak door de hoofden gaan van mensen die om wat voor reden dan ook van een minimumuitkering moeten leven. Niet voor niets speelt deze gedachte ook vaak een rol in de discussies die basisgroep intern heeft of met onze gasten. Het zij Tweede Kamerleden, of mensen die wij uitnodigen.
Twintig jaar basisgroep en twintig jaar ervaringen uit de praktijk verwoorden en voor het voetlicht brengen. Moet je dan als voorzitter terugblikken of vooruitkijken?
Moet ik het over de partij hebben, ons CDA, die het als enige partij in Nederland heeft gepresteerd om een werkgroep van, voor en door uitkeringsgerechtigden in hun midden te hebben. Als ik partij zeg, bedoel ik daar uiteraard ook de Tweede Kamerfractie mee.
Moet ik het hebben over de pioniers Louis Flapper en Frans Wolters? Die met hun idee nou niet bepaald een warm onthaal hadden.
Moet ik hebben over de evangelische boodschap en de worsteling van CDA-politici hiermee in de praktische politiek van alledag. Vooral wat de positie van de minima en uitkeringsgerechtigden betreft.
Ik zal het allemaal aanstippen, maar ik begin met de mensen van de basisgroep en met degenen voor wie wij een stem proberen te zijn.
Zoals u misschien wel weet, moet je als je lid wil worden van de basisgroep een uitkering hebben of gehad hebben. Wat voor uitkering dan ook. Ervaringsdeskundige zijn op dat gebied. Dat hadden de mensen van het eerste uur goed gezien.
Niet over hen, maar met hen. Zelf vind ik het woord ervaringsdeskundige niet zo prettig om te gebruiken en in verband te brengen met de marge van het bestaan. Want dat is wel de werkelijkheid voor tachtig procent van de uitkeringsgerechtigden. Gebruik alstublieft niet het woord uitkeringstrekkers. In de pers duikt dat woord weer steeds vaker op. Het woord uitkeringsgerechtigde komt trouwens uit de basisgroep. Dat heeft de toenmalige Tweede Kamerfractie van het CDA overgenomen. Zo zie je maar.
Als je in een uitkeringssituatie zit of hebt gezeten, is er meestal iets gebeurd met je leven. Je komt niet zomaar in zo’n situatie. En al helemaal niet vrijwillig. Het overkomt je vaak ongevraagd. Je lichaam of geest functioneert niet zoals het zou moeten. Of je komt alleen te staan met je kinderen. Waardoor? Ik vind dat niet zo belangrijk.
Velen voelen zich in die situatie vaak machteloos. Zijn vaak ook woordeloos, vooral ook in het begin van een onverwachte uitkeringssituatie. De één komt in verzet, de ander blijft apathisch. Maar allemaal, uitzonderingen daargelaten, willen er weer uit. Weg van die wereld van eindeloze gesprekken, met welke instantie dan ook. De wereld van een niet ophoudende stroom van formulieren die ingevuld moeten worden. Transparant worden. Wie je bent. Hoe je leeft. Hoe komt het zo? Waar kom je vandaan? Het voelt of je naakt voor de spiegel staat, in een drukke winkelstraat.
Je wordt vaak zo moedeloos van al dat gedoe. Degenen die dit leven niet kennen, snappen er soms niets van. Daarom voelen we ons vaak in de steek gelaten. En als het dan slecht gaat met het land, volgens de wijze heren en dames, dan denken we vaak dat het onze schuld is. De eerste maatregelen die meestal worden getroffen, treffen ons vaak als eerste.
Dan worden er maatregelen uit de kast gehaald die we maar al te goed herkennen.
Korten op de uitkeringen.
Nog scherpere regels voor keuringen en herkeuringen en vervolgens een lagere uitkering.
Verscherpte toetredingsvoorwaarden.
En wat ons het hardste treft: de nullijn. Officieel aangekondigd of verborgen in het beleid. Ook wij moeten dan offers brengen. Bij ons is het dan ook echt een offer. Een rib uit ons lijf. Anders is het geen offer. Maar als we dan om ons heen kijken en zien dat de boel gewoon doordendert, dan worden we wel eens opstandig en cynisch. Alles groter en duurder. Steeds vaker en verder weg met tripjes en vakanties.
Dan geloven we niet meer in een overheid die volgens CDA-begrippen als een schild moet zijn voor de zwakke en moet opkomen voor de rechten van de arme.
Dan is het zo dat wij anders voelen. Anders analyseren. Anders rekenen dan de meeste instituten met hun koopkrachtplaatjes. Dat onze emoties eerder opspelen. Dat wij vaak andere conclusies trekken die degenen die het zeer goed gaat. Dat wij iets anders van de C en het Appèl verwachten dan de praktische politiek ons meestal brengt. Dat wij daarom dan ook anders in die partij van ons zitten.
Mogen wij een andere benadering verwachten van een partij zoals de onze, wat betreft uitkeringen en armoede? Wat onderscheidt een partij die uitdaging aan wil gaan door een C voor de naam te zetten en vanuit die C een appel doet, van andere partijen? Mogen wij van onze partij meer verwachten dan alleen een kille, financiële, economische benadering? Mogen we van zo’n partij meer verwachten dan het tot dogma verklaren van Europese regelgeving op financieel gebied?
Moet zo’n partij zich vooral laten leiden door fraude in de uitkeringswereld? Moet zo’n partij bang zijn dat onze concurrentiepositie met het buitenland verslechterd, als we de uitkeringen structureel verhogen? En wordt ons minimumloon dan echt te hoog?
Kortom, wat zie je als partij als doel en wat slechts als middel.
Ik ben van mening dat een partij die de Bijbel als richtsnoer neemt bij haar politiek denken en handelen, zich moet onderscheiden van partijen die dat niet doen.
In de Bijbel staan vele verhalen over gerechtigheid, rechtvaardigheid en barmhartigheid. En vooral oproepen daartoe in het oude testament. In het nieuwe testament vertelt Jezus vaak gelijkenissen om ons een spiegel voor te houden. Vaak zet hij zich rechtvaardig en gelovig noemende mensen voor het blok en te kijk.
In het verhaal van de ‘Barmhartige Samaritaan’ ligt er iemand langs de weg. Misschien wel langs de weg van het leven. Vol butsen en blaren. Gewond. Niet meer in staat zichzelf te helpen. Zichzelf te redden. Er lopen mensen langs hem heen van wie je mag verwachten dat zij, gezien hun positie en beroep, hem zouden helpen. Dat ze mededogen en barmhartigheid zouden tonen. Dus niet. Doof en blind zijn ze voor mensen die langs de gangbare paden van het leven zijn terecht gekomen.
In Matteus 25 houdt Jezus ons de vraag voor of we echt wel zien wie onze hulp nodig heeft. Voeden we de hongerige. Geven we de dorstige water. Geven we de vreemdeling onderdak. Geven de schamel geklede kleren. Zoeken we degenen op die gevangen zitten. Misschien wel in het leven.
De Bijbel wijst nergens rijkdom en welvaart af. Sterker nog, er komen nogal wat miljonairs in voor. Abraham, Jacob, natuurlijk Salomo, de rijke jongeling en de rijke man die Lazarus aan de poort liet zitten. Het roept op gebruik te maken van je talenten. Je talenten begraven en erop gaan zitten, wordt veroordeeld. Je blijft zitten waar je zit en komt geen stap verder. Maar er staat ook, dat je het niet alleen aan jezelf te danken hebt als je rijkdom verwerft. Dat rijkdom niet alleen toebehoort aan wie het verkrijgen. Je moet er afstand van kunnen doen. Je moet kunnen delen.
Vertaald naar deze tijd zou je kunnen zeggen dat de sterkste schouders de zwaarste lasten moeten dragen. Waarom moeten we dan, als het gaat om de nullijn, van het weinige dat we hebben nog inleveren. Waarom is de minimumuitkering niet zo hoog dat we alleen in het uiterste geval de bijzondere bijstand nodig hebben? Waarom moet ook iemand op het minimum een eigen bijdrage voor de zorg betalen? Waarom een herkeuring? Waarom kom je in de bijstand terecht, nadat je plotseling arbeidsgeschikt wordt verklaard, maar geen werkgever je wil hebben? Waarom is men toch zo bang om de uitkeringen, zoals in ons oude programma van uitgangspunten staat, de loonontwikkeling te laten volgen?
Ik kan u verzekeren dat ieder mens die gezond van lijf en leden is, misschien geholpen door medicatie, wil werken. Bezig wil zijn. Voldoening van het leven wil hebben. Trots op zichzelf wil zijn. Dan heb ik het over betaald werk, want dat geeft wel de meeste voldoening. Natuurlijk is dat er ook wel in het vrijwilligerswerk, maar dan gaat er eerst een strijd met jezelf en je omgeving aan vooraf. Dan heb ik het over het noodgedwongen verrichten van vrijwilligerswerk, omdat je geen betaald werk kunt krijgen. Blijf je in dat vrijwilligerswerk steken, dan wordt het gewoon werk. Soms wordt het zo gewoon, dat andere mensen voor hetzelfde werk betaald worden.
Participatie is maar een deel van ons verhaal. Het andere deel is, dat als je bent aangewezen op een uitkering, je geen zorgen hoeft te maken over het betalen van primaire levensbehoeften. Daartoe moet je in staat worden gesteld door de regering. Een regering waarin ons CDA slechts zelden niet participeert.
Dan ben ik weer terug bij ons CDA. En ik zeg het klip en klaar. Die partij is ook van ons. Van de minima. De mensen die langs de weg staan van betaalde arbeid en welvaartsgroei. Dat wij dan opstandig reageren en onze stem verheffen, komt door de angst dat men ons niet begrijpt. Dat politici hun eigen beeld hebben van wat het is om aan de financiële onderkant te leven. We spreken dezelfde taal en toch verstaan we elkaar soms niet. De angst dat politici die geen boodschap hebben aan de C en het appel daarop er met de partij vandoor gaan. Let wel, ik heb het hier over angst. Of die angst de werkelijkheid is, of soms bewaarheid wordt, moet ieder maar voor zichzelf uitmaken.
Met die opstandige houding bevinden wij ons in goed gezelschap. In de Bijbel staan genoeg verhalen over mensen die opstaan en de overheid ter verantwoording roepen. Toen ook al werd er door de heersers geïrriteerd gereageerd. Dan druk ik het nog zwakjes uit. Ik denk niet dat er toen al spindoctors waren die een persbericht onschadelijk maken, of de informerende journalist op het verkeerde been zet. Wat wij als basisgroep soms doen, is dus van alle tijden.
Ik sluit af met de partij en fractie. Het getuigt van lef en je kwetsbaar durven opstellen, als je als partij en fractie het mogelijk maakt een werkgroep als de basisgroep te laten functioneren. Daar kunnen andere partijen een voorbeeld aan nemen.
Voor het ontstaan en het aarden van de basisgroep is één politicus van onschatbare waarde geweest, namelijk Frans Wolters. Dwars door alles heen bleef hij ons inspireren en maakte hij het mogelijk dat we door gingen. Om hem daarmee te eren hebben we als basisgroep de Frans Wolters-prijs ingevoerd. Éénmaal in de twee jaar wordt die uitgereikt. Aan mensen, organisaties, gemeenten die zich verdienstelijk hebben gemaakt, of iets opmerkelijks gedaan en bedacht hebben, op het gebied van sociale zekerheid. Het gaat dan niet meteen om iets groots. Het kan ook iets in het klein zijn. Iets in het verborgene. Zoals mijn moeder mij dat vroeger leerde.
Met dit alles wil ik zeggen, dat het CDA een opmerkelijk partij is. Andere partijen is het niet gelukt om zo’n werkgroep in hun midden te hebben, of te dulden. Ook al noemen ze zichzelf sociaal of progressief. En denk nu niet dat die partijen zo’n werkgroep niet nodig hebben. Meer dan dat zelfs. Al was het maar om te beginnen met sociaal op te treden binnen hun eigen partij.
Ter afsluiting, voorzitter, hoop ik dat onze partij zich niet te veel laat afleiden, door rijkdom en welvaart. Maar dicht bij de bron blijft die richtsnoer is in haar politiek denken en handelen. Ik spreek de wens uit dat de basisgroep ook in de toekomst zijn plaats blijft behouden in de partij. Dat we samen optrekken met partij en fractie. We zullen heus nog wel een keer uit de pas lopen. Maar ik ben er diep van overtuigd, dat we samen een samenleving voor ogen hebben, waar een ieder tot zijn recht komt en datgene krijgt waar hij recht op heeft. Dat we samen dezelfde samenleving voor ogen hebben en daaraan blijven werken.
Ik hoop dat wij hier vandaag een genoeglijke dag hebben.
zondag 23 september 2007
Jubileum CDA-Basisgroep Sociale Zekerheid
De Basisgroep Sociale Zekerheid van het CDA viert op zaterdag 27 oktober 2007 haar twintigjarig jubileum met een bijeenkomst te Utrecht in het vergadercentrum Vredenburg 19.
Het thema van de bijeenkomst is: “Sociaal... Wanneer?”
Sprekers zijn onder meer onze premier Jan Peter Balkende, Eddy van Heijum (woordvoerder sociale zekerheid van de CDA-fractie in de Tweede kamer), Europarlementariër Ria Oomen-Ruijten en onze nieuwe partijvoorzitter Peter van Heeswijk.
Dagvoorzitter is Tineke Lodders-Elfferich; Lucas Bolsius zal haar als interviewer ondersteunen.
Het geheel wordt muzikaal opgeluisterd door het Landelijk EVA Dienstbodenkoor.
In het middagdeel wordt aandacht gevraagd voor gesprekken met sociaal-betrokken organisaties en personen. Er is ruim gelegenheid voor discussie.
Hierbij wordt een aantal stellingen ter sprake gebracht waaruit één stelling wordt uitgekozen. Deze stelling zal worden omgezet in een concept-resolutie die zal worden ingediend ter behandeling in het CDA-congres twee weken later, op zaterdag tien november 2007, eveneens te Utrecht.
De jubileumbijeenkomst van de Basisgroep is van 10.00 uur tot 17.00 uur. Meer informatie en aanmelden: dhr. Bart van der Pol, BartvanderPol@hetNet.NL, of tel. 0595 - 44 12 17.
Het thema van de bijeenkomst is: “Sociaal... Wanneer?”
Sprekers zijn onder meer onze premier Jan Peter Balkende, Eddy van Heijum (woordvoerder sociale zekerheid van de CDA-fractie in de Tweede kamer), Europarlementariër Ria Oomen-Ruijten en onze nieuwe partijvoorzitter Peter van Heeswijk.
Dagvoorzitter is Tineke Lodders-Elfferich; Lucas Bolsius zal haar als interviewer ondersteunen.
Het geheel wordt muzikaal opgeluisterd door het Landelijk EVA Dienstbodenkoor.
In het middagdeel wordt aandacht gevraagd voor gesprekken met sociaal-betrokken organisaties en personen. Er is ruim gelegenheid voor discussie.
Hierbij wordt een aantal stellingen ter sprake gebracht waaruit één stelling wordt uitgekozen. Deze stelling zal worden omgezet in een concept-resolutie die zal worden ingediend ter behandeling in het CDA-congres twee weken later, op zaterdag tien november 2007, eveneens te Utrecht.
De jubileumbijeenkomst van de Basisgroep is van 10.00 uur tot 17.00 uur. Meer informatie en aanmelden: dhr. Bart van der Pol, BartvanderPol@hetNet.NL, of tel. 0595 - 44 12 17.
woensdag 25 juli 2007
juli 2007: Column ‘De onderkant’ door Klaas Minimo
Column ‘De onderkant’
JUBILEUM
Da’s ook toevallig. Jullie bestaan 20 jaar? Ik zit nu twintig jaar in de bijstand. Die basisgroep heeft zich dus al die tijd ingezet voor mij, begrijp ik. Laat ik je zeggen dat ik daar nooit iets van gemerkt heb. Ik ben er alleen maar op achteruit gegaan. Nou ja, die uitkering ging wel omhoog, maar de prijzen, de huur en alles werd ook duurder. Ik heb het gevoel dat ik steeds verder ben gaan achterlopen bij de werkende mensen. Kijk, er komen steeds meer nieuwe dingen bij, die ik niet kan kopen. Mobieltjes, iPods, flatscreens, weet ik veel. Niet dat ik dat erg mis. Ik had een ouwe tv, die kapot ging. Bij de milieustraat mocht ik van die lui daar wel kijken of er een stond die het nog deed. Voor niks. Hij doet het nog. Kleren haal ik altijd bij het Leger der Heils. Bij de Voedselbank werd ik niet toegelaten, want ik had geen schulden en moest van mijn bijstand kunnen rondkomen. Moet je nagaan. Ik word gestraft omdat ik oppassend ben en geen schulden heb. Ik ga elke dag op mijn oude fiets de wijken langs waar huisvuil wordt opgehaald. Daar vind ik nog vaak iets bruikbaars. Kom maar bij mij kijken. Ziet er best netjes uit.
Waarom ik niet werk ? Ik loop slecht, kan niet lezen of schrijven. Mijn ouders en grootouders, hadden ook nooit werk. Alleen af en toe wat los werk, in het seizoen. Ik doe dat nu ook nog in de oogst. Ja zwart natuurlijk. Anders krijg je weer gedonder met die Rofjes. Nu weet ik dat ik alleen overal ‘nee’ op moet antwoorden. Dat kan ik nog net. Nee, dat vind ik geen fraude. Ik vraag ook nooit bijzondere bijstand, en daar zou ik best voor in aanmerking komen. Dat gat vul ik met wat zwart werk. Daar zit ik echt niet mee. Als ik maar geen papiertjes moet invullen. Maar nu wil de dienst mij aan het werk hebben. Een re-integratiebedrijf is bezig. Maar ik moet van hullie eerst maar vrijwilligerswerk gaan doen. Om wat arbeidsritme op te doen, zei die vent. Maar ik zie mijzelf geen vast werk krijgen. Wat moeten ze nou met een gammele ouwe kerel van bijna veertig. Nee, ik heb geen gezin en dat is maar goed ook. Nou succes met jullie jubileum. Ik zie niet in waarom ik dat van mijzelf zou moeten vieren. Klaas Minimo
JUBILEUM
Da’s ook toevallig. Jullie bestaan 20 jaar? Ik zit nu twintig jaar in de bijstand. Die basisgroep heeft zich dus al die tijd ingezet voor mij, begrijp ik. Laat ik je zeggen dat ik daar nooit iets van gemerkt heb. Ik ben er alleen maar op achteruit gegaan. Nou ja, die uitkering ging wel omhoog, maar de prijzen, de huur en alles werd ook duurder. Ik heb het gevoel dat ik steeds verder ben gaan achterlopen bij de werkende mensen. Kijk, er komen steeds meer nieuwe dingen bij, die ik niet kan kopen. Mobieltjes, iPods, flatscreens, weet ik veel. Niet dat ik dat erg mis. Ik had een ouwe tv, die kapot ging. Bij de milieustraat mocht ik van die lui daar wel kijken of er een stond die het nog deed. Voor niks. Hij doet het nog. Kleren haal ik altijd bij het Leger der Heils. Bij de Voedselbank werd ik niet toegelaten, want ik had geen schulden en moest van mijn bijstand kunnen rondkomen. Moet je nagaan. Ik word gestraft omdat ik oppassend ben en geen schulden heb. Ik ga elke dag op mijn oude fiets de wijken langs waar huisvuil wordt opgehaald. Daar vind ik nog vaak iets bruikbaars. Kom maar bij mij kijken. Ziet er best netjes uit.
Waarom ik niet werk ? Ik loop slecht, kan niet lezen of schrijven. Mijn ouders en grootouders, hadden ook nooit werk. Alleen af en toe wat los werk, in het seizoen. Ik doe dat nu ook nog in de oogst. Ja zwart natuurlijk. Anders krijg je weer gedonder met die Rofjes. Nu weet ik dat ik alleen overal ‘nee’ op moet antwoorden. Dat kan ik nog net. Nee, dat vind ik geen fraude. Ik vraag ook nooit bijzondere bijstand, en daar zou ik best voor in aanmerking komen. Dat gat vul ik met wat zwart werk. Daar zit ik echt niet mee. Als ik maar geen papiertjes moet invullen. Maar nu wil de dienst mij aan het werk hebben. Een re-integratiebedrijf is bezig. Maar ik moet van hullie eerst maar vrijwilligerswerk gaan doen. Om wat arbeidsritme op te doen, zei die vent. Maar ik zie mijzelf geen vast werk krijgen. Wat moeten ze nou met een gammele ouwe kerel van bijna veertig. Nee, ik heb geen gezin en dat is maar goed ook. Nou succes met jullie jubileum. Ik zie niet in waarom ik dat van mijzelf zou moeten vieren. Klaas Minimo
juli 2007: column PRIKKELDRAAD
· Soms schaam je je zo voor die idiote maatschappij waarin we leven, dat je je wel zou willen terugtrekken op een onbewoond eiland. Neem nou die Peter Paul de Vries van die aandeelhoudersclub. Zo zielig, die arme aandeelhouders, die van de Hoge Raad niet mochten beslissen over de verkoop van La Salle door Rijkman Groenink van ABN-Amro. Erg toch, hè. Je zou maar aandeelhouder zijn en zo te pas komen!
· Waar maken aandeelhouders zich druk om? Louter en alleen welke winst er snel valt te pakken. En als het niet snel genoeg gaat, dealen en wheelen ze met wat hedge funds of zo, splitsen ze een bedrijf op of verkopen het uit. Waar je aandeelhouders nooit over hoort is over het belang van de onderneming voor ons land, het wegvloeien van arbeidsplaatsen naar verre landen, over de standpunten van de ondernemingsraden. Allemaal oninteressant.
· En waar ze zich al helemaal niet druk over maken, dat is de beloning van de bedrijfstop. Zo’n Bennink van Numico die vorig jaar € 11.600.000 opstreek en nu met de uitverkoop aan Danone nog eens een premie van dik €86 miljoen meekrijgt. Bestuurders die zichzelf vorig jaar bijna 15% meer beloning gaven, terwijl de bonden moeten knokken voor 2% meer voor de werknemers. Hoe kun je met enig fatsoen zo met de bonden onderhandelen? Is er dan geen beschaving meer? Geen fatsoen? Nee, in die kringen van zelf-verrijkers bestaan die niet meer. En de aandeelhouders vinden het allemaal prachtig, want een dief aan het hoofd zal zeker wel weten hoe hij zijn financiers te vriend moet houden.
· Wat betekent dat nou feitelijk voor de ontwikkelingen in de macht? Dat de bonden veel aan kracht verloren hebben. Dat de consumenten al helemaal niks meer in de melk te brokkelen hebben. Dat de politieke partijen ook met lege handen staan. Wel af en toe iets roepen over kleptocraten, zelf-verrijkers, maar maatregelen die de machtsverhoudingen rechttrekken? Niks hoor. Vrije markt is troef. Die heeft nu eenmaal ook wat vervelende bijeffecten, maar dat moet dan maar. Zie Wim Kok.
· Met een slecht geweten valt het licht voorbeelden te vinden ter rechtvaardiging. Hoor die profiteurs van het old boys-network: ‘Die topsporters en artiesten verdienen toch ook enorme vermogens ! En daar hoor je niemand over. Dus gewoon jaloezie!!! We kunnen toch niet achterblijven bij de rest van de wereld? We moeten wel meegaan.’ Ik heb met ze te doen. De stakkers.
· Wat mij ook opvalt: al die fusies. In alle sectoren gaan die maar door. En niet alleen in het bedrijfsleven. Ook de woningcorporaties, onderwijs, zorgsector. De motieven daarvoor gaan meestal over efficiency, synergie, concurrentiepositie, etc. In de praktijk heb ik die voordelen nooit zo bemerkt. Wel dat de top meteen drastisch meer salaris vangt en een grotere leasebak. En dat de bureaucratie groeit als kool, zodat de efficiencyvoordelen onzichtbaar blijven. Schumpeter zei het ooit: ‘Small is beautiful’, maar dat past niet meer in een tijd dat alles moet gaan om mega, om super, om giga.
· Die kringetjes beschermen zichzelf. Besturen worden raden van toezicht of raden van commissarissen. Met al die fusies wordt dat kringetje steeds kleiner. En ondanks de richtlijnen van Morris Tabaksblatt, zie je dat – wil je meetellen in het old-boys-network – je toch al gauw een paar handen vol moet hebben aan zulke bijbaantjes.
· Nee, ik ben druk bezig uit te zoeken, waar ik al dit soort hoogbeschaafde aberraties ver van mij weet. Of gewoon geen kranten meer lezen, geen radio of tv meer. Werken en boeken lezen. Maar ja, dan krijg je een boek van Macchiavelli onder ogen en ontdek je dat er eigenlijk nooit iets verandert.
· Waar maken aandeelhouders zich druk om? Louter en alleen welke winst er snel valt te pakken. En als het niet snel genoeg gaat, dealen en wheelen ze met wat hedge funds of zo, splitsen ze een bedrijf op of verkopen het uit. Waar je aandeelhouders nooit over hoort is over het belang van de onderneming voor ons land, het wegvloeien van arbeidsplaatsen naar verre landen, over de standpunten van de ondernemingsraden. Allemaal oninteressant.
· En waar ze zich al helemaal niet druk over maken, dat is de beloning van de bedrijfstop. Zo’n Bennink van Numico die vorig jaar € 11.600.000 opstreek en nu met de uitverkoop aan Danone nog eens een premie van dik €86 miljoen meekrijgt. Bestuurders die zichzelf vorig jaar bijna 15% meer beloning gaven, terwijl de bonden moeten knokken voor 2% meer voor de werknemers. Hoe kun je met enig fatsoen zo met de bonden onderhandelen? Is er dan geen beschaving meer? Geen fatsoen? Nee, in die kringen van zelf-verrijkers bestaan die niet meer. En de aandeelhouders vinden het allemaal prachtig, want een dief aan het hoofd zal zeker wel weten hoe hij zijn financiers te vriend moet houden.
· Wat betekent dat nou feitelijk voor de ontwikkelingen in de macht? Dat de bonden veel aan kracht verloren hebben. Dat de consumenten al helemaal niks meer in de melk te brokkelen hebben. Dat de politieke partijen ook met lege handen staan. Wel af en toe iets roepen over kleptocraten, zelf-verrijkers, maar maatregelen die de machtsverhoudingen rechttrekken? Niks hoor. Vrije markt is troef. Die heeft nu eenmaal ook wat vervelende bijeffecten, maar dat moet dan maar. Zie Wim Kok.
· Met een slecht geweten valt het licht voorbeelden te vinden ter rechtvaardiging. Hoor die profiteurs van het old boys-network: ‘Die topsporters en artiesten verdienen toch ook enorme vermogens ! En daar hoor je niemand over. Dus gewoon jaloezie!!! We kunnen toch niet achterblijven bij de rest van de wereld? We moeten wel meegaan.’ Ik heb met ze te doen. De stakkers.
· Wat mij ook opvalt: al die fusies. In alle sectoren gaan die maar door. En niet alleen in het bedrijfsleven. Ook de woningcorporaties, onderwijs, zorgsector. De motieven daarvoor gaan meestal over efficiency, synergie, concurrentiepositie, etc. In de praktijk heb ik die voordelen nooit zo bemerkt. Wel dat de top meteen drastisch meer salaris vangt en een grotere leasebak. En dat de bureaucratie groeit als kool, zodat de efficiencyvoordelen onzichtbaar blijven. Schumpeter zei het ooit: ‘Small is beautiful’, maar dat past niet meer in een tijd dat alles moet gaan om mega, om super, om giga.
· Die kringetjes beschermen zichzelf. Besturen worden raden van toezicht of raden van commissarissen. Met al die fusies wordt dat kringetje steeds kleiner. En ondanks de richtlijnen van Morris Tabaksblatt, zie je dat – wil je meetellen in het old-boys-network – je toch al gauw een paar handen vol moet hebben aan zulke bijbaantjes.
· Nee, ik ben druk bezig uit te zoeken, waar ik al dit soort hoogbeschaafde aberraties ver van mij weet. Of gewoon geen kranten meer lezen, geen radio of tv meer. Werken en boeken lezen. Maar ja, dan krijg je een boek van Macchiavelli onder ogen en ontdek je dat er eigenlijk nooit iets verandert.
zondag 15 juli 2007
CDA-Basisgroep van en voor uitkeringsgerechtigden
CDA-Basisgroep neemt het op voor uitkeringsgerechtigden.
De CDA-Basisgroep Sociale Zekerheid, opgericht in 1986, telt in 2007 ongeveer dertig leden en tien agendaleden en herdenkt haar oprichting met een jubileumbijeenkomst eind oktober 2007 in Utrecht.
De Basisgroep overlegt vier maal per jaar in het gebouw van de Tweede Kamer met leden van de CDA-fractie en geeft gevraagd en ongevraagd advies aan deze fractie en aan het CDA-partijbestuur over sociale zekerheid, participatie, armoede en i.h.a. over onderwerpen die de positie van mensen met een uitkering betreffen.
Bij de behartiging van belangen van uitkeringsgerechtigden steunt de Basisgroep het partijbeleid van het CDA meestal op hoofdlijnen maar stelt zij zich dikwijls ook kritisch op.
Ervaring als uitkeringsgerechtigde is voorwaarde voor het lidmaatschap van de Basisgroep.
De CDA-Basisgroep Sociale Zekerheid, opgericht in 1986, telt in 2007 ongeveer dertig leden en tien agendaleden en herdenkt haar oprichting met een jubileumbijeenkomst eind oktober 2007 in Utrecht.
De Basisgroep overlegt vier maal per jaar in het gebouw van de Tweede Kamer met leden van de CDA-fractie en geeft gevraagd en ongevraagd advies aan deze fractie en aan het CDA-partijbestuur over sociale zekerheid, participatie, armoede en i.h.a. over onderwerpen die de positie van mensen met een uitkering betreffen.
Bij de behartiging van belangen van uitkeringsgerechtigden steunt de Basisgroep het partijbeleid van het CDA meestal op hoofdlijnen maar stelt zij zich dikwijls ook kritisch op.
Ervaring als uitkeringsgerechtigde is voorwaarde voor het lidmaatschap van de Basisgroep.