CDA-Basisgroep Sociale Zekerheid, maart 2006

CDA-Basisgroep Sociale Zekerheid, maart 2006
De CDA-Basisgroep Sociale Zekerheid, in maart 2006 voor overleg met de CDA-fractie bijeen in het gebouw van de Tweede Kamer, met CDA-bestuursleden Frank KERCKHAERT en Ronald MIGO en enkele andere gasten; als u op deze foto klikt gaat u (terug) naar onze web-site "http://www.BSZ.CDA.NL/"

maandag 12 november 2007

TEGENDRAADS OVER VAN RIJN’S ECHTE FRANSE MOSTERD

TEGENDRAADS-1



Evenals de Duitsers denken wij gewoonlijk “na” in plaats van “voor” (“nachdenken”, “na­den­ken”). Daarom wil ik, misschien nog net niet als mosterd na de maaltijd, even uw aandacht vra­gen voor de ontslagbescherming. Ik heb een goede opleiding, ben 61 jaar oud, ben in het ge­not van een bijstandsuitkering en heb veel werkervaring met vrijwilligerswerk maar slechts wei­nig met betaald werk. Op de val­reep van mijn leven op werkbare leeftijd wil ik nog even ècht de arbeidsmarkt betreden.
Ik kan mij vergissen, maar ik heb het gevoel dat werkgevers last hebben van koudwatervrees. Zij zijn bang dat ze, als ze mensen in dienst nemen, er indien nodig niet meer vanaf kunnen komen. En zij willen al helemaal geen mensen in dienst nemen met al te veel levenservaring. Daarom ben ik misschien gedoemd om tot ik de pensioengerechtigde leeftijd bereik zonder be­taald werk te blijven.
Kan er dan aan geen van de genoemde blokkades iets gedaan worden? Mijn leeftijd kan nie­mand veranderen. Nu weet ik dat werkgevers als de nood aan de man komt best van hun werk­ne­mers af kunnen komen, maar de regeling van de ontslagbescherming kan nog even gauw wor­den gewijzigd. Dat dit strikt gesproken helemaal niet nodig is blijkt uit de vol­gen­de anekdote.
In één van mijn weinige betaalde werkkringen had mijn werkgever mij op­ge­dra­gen te laten zien hoe hij van ons af kon komen. De werkgever, een genootschap op religieuze grondslag, gaf toen voor de boekhouding aan ongeveer tien mensen werk maar wilde van ze af: het genootschap wilde voort­aan al het werk door eigen mensen, toegewijde aanhangers, laten doen. Eerst sputterde ik te­gen, maar ten slotte deed ik wat mij ge­vraagd was. Ik vestigde op het ar­beids­bu­reau de aan­dacht op één collega, schreef dat bij de werk­ge­ver de or­ga­ni­sa­tie­struc­tuur veranderd zou wor­den en vroeg voor de werk­ge­ver toe­stem­ming om haar te ont­slaan. Ik werd er op het werk niet po­pu­lair van, maar het arbeidsbureau stelde vast dat er bij de werkgever een reorganisatie plaats zou vinden: de toe­stem­ming werd zon­der pro­ble­men ver­leend en de betrokken collega werd ontslagen. De an­de­re collega’s be­gon­nen toen plan­nen te maken om voor zichzelf te be­gin­nen, maar ìk werd hierbij natuurlijk niet betrokken. Zij vertrokken, begonnen voor zichzelf en ik bleef alleen ach­ter. Toegewijd was ik genoeg, maar aanhanger wilde ik niet worden....
Het is dus gemakkelijk genoeg als je maar weet hoe het moet. Maar sommige werkgevers zien dit anders. Daarom lijkt het me een goed idee als de ontslagbescherming wordt herzien; niet om het echt gemakkelijker te maken maar om te laten zien hoe gemakkelijk het eigenlijk is. Bij voorbeeld door het een beetje transparanter bij elkaar in één wettelijke regeling te zetten. Er zijn nu immers twee verschillende instanties bij betrokken: de rechterlijke macht en het CWI, de huidige naam van het arbeidsbureau. Misschien kan met één instantie worden vol­staan – natuurlijk wel met recht op hoger beroep.
De media zullen het de werkgevers dan nog eens duidelijk uitleggen, het wordt wat trans­pa­ran­ter, werkgevers raken de helft van hun koudwatervrees kwijt en: misschien bereik ik dan toch nog in loondienst de pensioengerechtigde leeftijd.

Oegstgeest, maandagochtend twaalf november 2007, Tegen Draads

zaterdag 27 oktober 2007

Basisgroepvoorzitter Arend Jansen: toespraak op jubileumbijeenkomst CDA-Basisgroep Sociale Zekerheid op zaterdag 27 oktober 2007

Sociaal…wanneer?

So­ciaal wan­neer luidt de ti­tel van dit ju­bi­le­um­con­gres.
Dat zijn gedachten die maar al te vaak door de hoof­den gaan van men­sen die om wat voor re­den dan ook van een mi­ni­mum­uit­ke­ring moe­ten leven. Niet voor niets speelt deze ge­dach­te ook vaak een rol in de dis­cus­sies die ba­sis­groep in­tern heeft of met on­ze gasten. Het zij Twee­de Ka­mer­le­den, of men­sen die wij uit­no­di­gen.

Twin­tig jaar ba­sis­groep en twin­tig jaar er­va­rin­gen uit de prak­tijk ver­woor­den en voor het voet­licht bren­gen. Moet je dan als voor­zit­ter terug­blik­ken of voor­uit­kij­ken?

Moet ik het over de par­tij hebben, ons CDA, die het als eni­ge par­tij in Ne­der­land heeft ge­pres­teerd om een werk­groep van, voor en door uit­ke­rings­ge­rech­tig­den in hun mid­den te heb­ben. Als ik par­tij zeg, be­doel ik daar uiter­aard ook de Twee­de Ka­mer­frac­tie mee.

Moet ik het hebben over de pio­niers Louis Flap­per en Frans Wol­ters? Die met hun idee nou niet be­paald een warm ont­haal had­den.

Moet ik heb­ben over de evan­ge­li­sche bood­schap en de wor­ste­ling van CDA-po­li­ti­ci hier­mee in de prak­ti­sche po­li­tiek van al­le­dag. Voor­al wat de po­si­tie van de mi­ni­ma en uit­ke­rings­ge­rech­tig­den be­treft.

Ik zal het al­le­maal aan­stip­pen, maar ik be­gin met de men­sen van de ba­sis­groep en met de­ge­nen voor wie wij een stem pro­be­ren te zijn.

Zo­als u mis­schien wel weet, moet je als je lid wil wor­den van de ba­sis­groep een uit­ke­ring heb­ben of ge­had heb­ben. Wat voor uit­ke­ring dan ook. Er­va­rings­des­kun­di­ge zijn op dat ge­bied. Dat had­den de men­sen van het eer­ste uur goed ge­zien.
Niet over hen, maar met hen. Zelf vind ik het woord er­va­rings­des­kun­di­ge niet zo pret­tig om te ge­brui­ken en in ver­band te bren­gen met de mar­ge van het be­staan. Want dat is wel de wer­ke­lijk­heid voor tach­tig pro­cent van de uit­ke­rings­ge­rech­tig­den. Ge­bruik als­tu­blieft niet het woord uit­ke­rings­trek­kers. In de pers duikt dat woord weer steeds vaker op. Het woord uit­ke­rings­ge­rech­tig­de komt trou­wens uit de ba­sis­groep. Dat heeft de toen­ma­li­ge Twee­de Ka­mer­frac­tie van het CDA over­ge­no­men. Zo zie je maar.

Als je in een uit­ke­rings­si­tu­a­tie zit of hebt ge­ze­ten, is er meest­al iets ge­beurd met je leven. Je komt niet zo­maar in zo’n si­tu­a­tie. En al he­le­maal niet vrij­willig. Het over­komt je vaak on­ge­vraagd. Je li­chaam of geest func­tio­neert niet zo­als het zou moe­ten. Of je komt al­leen te staan met je kin­de­ren. Waar­door? Ik vind dat niet zo be­lang­rijk.

Ve­len voe­len zich in die si­tu­a­tie vaak mach­te­loos. Zijn vaak ook woor­de­loos, voor­al ook in het be­gin van een on­ver­wach­te uit­ke­rings­si­tu­a­tie. De één komt in ver­zet, de an­der blijft apa­thisch. Maar al­le­maal, uit­zon­de­rin­gen daar­ge­la­ten, wil­len er weer uit. Weg van die we­reld van ein­de­lo­ze ge­sprek­ken, met wel­ke in­stan­tie dan ook. De we­reld van een niet op­hou­den­de stroom van for­mu­lie­ren die in­ge­vuld moe­ten wor­den. Trans­pa­rant wor­den. Wie je bent. Hoe je leeft. Hoe komt het zo? Waar kom je van­daan? Het voelt of je naakt voor de spie­gel staat, in een druk­ke win­kel­straat.

Je wordt vaak zo moe­de­loos van al dat ge­doe. De­ge­nen die dit le­ven niet ken­nen, snap­pen er soms niets van. Daar­om voe­len we ons vaak in de steek ge­la­ten. En als het dan slecht gaat met het land, vol­gens de wij­ze he­ren en da­mes, dan den­ken we vaak dat het on­ze schuld is. De eer­ste maat­re­ge­len die meest­al wor­den ge­trof­fen, tref­fen ons vaak als eer­ste.

Dan wor­den er maat­re­ge­len uit de kast ge­haald die we maar al te goed her­ken­nen.
Kor­ten op de uit­ke­rin­gen.
Nog scher­pe­re re­gels voor keu­rin­gen en her­keu­rin­gen en ver­vol­gens een la­ge­re uit­ke­ring.
Ver­scherp­te toe­tre­dings­voor­waar­den.

En wat ons het hard­ste treft: de nul­lijn. Of­fi­cieel aan­ge­kon­digd of ver­bor­gen in het be­leid. Ook wij moe­ten dan of­fers bren­gen. Bij ons is het dan ook echt een of­fer. Een rib uit ons lijf. An­ders is het geen of­fer. Maar als we dan om ons heen kij­ken en zien dat de boel ge­woon door­den­dert, dan wor­den we wel eens op­stan­dig en cy­nisch. Al­les gro­ter en duur­der. Steeds va­ker en ver­der weg met trip­jes en va­kan­ties.

Dan geloven we niet meer in een over­heid die vol­gens CDA-be­grip­pen als een schild moet zijn voor de zwak­ke en moet op­ko­men voor de rech­ten van de ar­me.

Dan is het zo dat wij an­ders voe­len. An­ders ana­ly­se­ren. An­ders re­ke­nen dan de mees­te in­sti­tu­ten met hun koop­kracht­plaat­jes. Dat on­ze emo­ties eer­der op­spe­len. Dat wij vaak an­de­re con­clu­sies trek­ken die de­ge­nen die het zeer goed gaat. Dat wij iets an­ders van de C en het Appèl ver­wach­ten dan de prak­ti­sche po­li­tiek ons meest­al brengt. Dat wij daar­om dan ook an­ders in die par­tij van ons zit­ten.

Mo­gen wij een an­de­re be­na­de­ring ver­wach­ten van een par­tij zo­als de onze, wat be­treft uit­ke­rin­gen en ar­moe­de? Wat on­der­scheidt een par­tij die uit­da­ging aan wil gaan door een C voor de naam te zet­ten en van­uit die C een ap­pel doet, van andere par­tij­en? Mo­gen wij van onze par­tij meer ver­wach­ten dan al­leen een kil­le, fi­nan­cië­le, eco­no­mi­sche be­na­de­ring? Mo­gen we van zo’n par­tij meer ver­wach­ten dan het tot dog­ma ver­kla­ren van Euro­pe­se re­gel­ge­ving op fi­nan­cieel ge­bied?
Moet zo’n par­tij zich voor­al la­ten lei­den door frau­de in de uit­ke­rings­we­reld? Moet zo’n par­tij bang zijn dat on­ze con­cur­ren­tie­po­si­tie met het bui­ten­land ver­slech­terd, als we de uit­ke­rin­gen struc­tu­reel ver­ho­gen? En wordt ons mi­ni­mum­loon dan echt te hoog?

Kort­om, wat zie je als par­tij als doel en wat slechts als mid­del.
Ik ben van me­ning dat een par­tij die de Bij­bel als richt­snoer neemt bij haar po­li­tiek den­ken en han­de­len, zich moet on­der­schei­den van par­tij­en die dat niet doen.

In de Bij­bel staan ve­le ver­ha­len over ge­rech­tig­heid, recht­vaar­dig­heid en barm­har­tig­heid. En voor­al op­roe­pen daar­toe in het oude tes­ta­ment. In het nieu­we tes­ta­ment ver­telt Je­zus vaak ge­lij­ke­nis­sen om ons een spie­gel voor te hou­den. Vaak zet hij zich recht­vaar­dig en ge­lo­vig noe­men­de men­sen voor het blok en te kijk.

In het ver­haal van de ‘Barm­har­ti­ge Sa­ma­ri­taan’ ligt er iemand langs de weg. Mis­schien wel langs de weg van het le­ven. Vol but­sen en bla­ren. Ge­wond. Niet meer in staat zich­zelf te hel­pen. Zich­zelf te red­den. Er lo­pen men­sen langs hem heen van wie je mag ver­wach­ten dat zij, ge­zien hun po­si­tie en be­roep, hem zou­den hel­pen. Dat ze me­de­do­gen en barm­har­tig­heid zou­den to­nen. Dus niet. Doof en blind zijn ze voor men­sen die langs de gang­ba­re pa­den van het le­ven zijn te­recht ge­ko­men.

In Mat­teus 25 houdt Je­zus ons de vraag voor of we echt wel zien wie on­ze hulp no­dig heeft. Voe­den we de hon­ge­ri­ge. Ge­ven we de dor­sti­ge wa­ter. Ge­ven we de vreem­de­ling on­der­dak. Ge­ven de scha­mel ge­kle­de kle­ren. Zoe­ken we de­ge­nen op die ge­van­gen zit­ten. Mis­schien wel in het le­ven.

De Bij­bel wijst ner­gens rijk­dom en wel­vaart af. Ster­ker nog, er ko­men nog­al wat mil­jo­nairs in voor. Abra­ham, Ja­cob, na­tuur­lijk Sa­lo­mo, de rij­ke jon­ge­ling en de rij­ke man die La­za­rus aan de poort liet zit­ten. Het roept op ge­bruik te ma­ken van je ta­len­ten. Je ta­len­ten be­gra­ven en er­op gaan zit­ten, wordt ver­oor­deeld. Je blijft zit­ten waar je zit en komt geen stap ver­der. Maar er staat ook, dat je het niet al­leen aan je­zelf te dan­ken hebt als je rijk­dom ver­werft. Dat rijk­dom niet al­leen toe­be­hoort aan wie het ver­krij­gen. Je moet er af­stand van kun­nen doen. Je moet kun­nen de­len.

Ver­taald naar de­ze tijd zou je kun­nen zeg­gen dat de sterk­ste schou­ders de zwaar­ste las­ten moe­ten dra­gen. Waar­om moe­ten we dan, als het gaat om de nul­lijn, van het wei­ni­ge dat we heb­ben nog in­le­ve­ren. Waar­om is de mi­ni­mum­uit­ke­ring niet zo hoog dat we al­leen in het uiter­ste ge­val de bij­zon­de­re bij­stand no­dig heb­ben? Waar­om moet ook iemand op het mi­ni­mum een eigen bij­dra­ge voor de zorg be­ta­len? Waar­om een her­keu­ring? Waar­om kom je in de bij­stand te­recht, na­dat je plot­se­ling ar­beids­ge­schikt wordt ver­klaard, maar geen werk­ge­ver je wil heb­ben? Waar­om is men toch zo bang om de uit­ke­rin­gen, zo­als in ons oude pro­gram­ma van uit­gangs­pun­ten staat, de loon­ont­wik­ke­ling te la­ten vol­gen?

Ik kan u ver­ze­ke­ren dat ieder mens die ge­zond van lijf en le­den is, mis­schien ge­hol­pen door me­di­ca­tie, wil wer­ken. Be­zig wil zijn. Vol­doe­ning van het le­ven wil heb­ben. Trots op zich­zelf wil zijn. Dan heb ik het over be­taald werk, want dat geeft wel de mees­te vol­doe­ning. Na­tuur­lijk is dat er ook wel in het vrij­wil­li­gers­werk, maar dan gaat er eerst een strijd met je­zelf en je om­ge­ving aan voor­af. Dan heb ik het over het nood­ge­dwon­gen ver­rich­ten van vrij­wil­li­gers­werk, om­dat je geen be­taald werk kunt krij­gen. Blijf je in dat vrij­wil­li­gers­werk ste­ken, dan wordt het ge­woon werk. Soms wordt het zo ge­woon, dat an­de­re men­sen voor het­zelf­de werk be­taald wor­den.

Par­ti­ci­pa­tie is maar een deel van ons ver­haal. Het an­de­re deel is, dat als je bent aan­ge­we­zen op een uit­ke­ring, je geen zor­gen hoeft te ma­ken over het be­ta­len van pri­mai­re le­vens­be­hoef­ten. Daar­toe moet je in staat wor­den ge­steld door de re­ge­ring. Een re­ge­ring waar­in ons CDA slechts zel­den niet par­ti­ci­peert.

Dan ben ik weer terug bij ons CDA. En ik zeg het klip en klaar. Die par­tij is ook van ons. Van de mi­ni­ma. De men­sen die langs de weg staan van be­taal­de ar­beid en wel­vaarts­groei. Dat wij dan op­stan­dig re­a­ge­ren en on­ze stem ver­hef­fen, komt door de angst dat men ons niet be­grijpt. Dat po­li­ti­ci hun eigen beeld heb­ben van wat het is om aan de fi­nan­cië­le on­der­kant te le­ven. We spre­ken de­zelf­de taal en toch ver­staan we el­kaar soms niet. De angst dat po­li­ti­ci die geen bood­schap heb­ben aan de C en het ap­pel daar­op er met de par­tij van­door gaan. Let wel, ik heb het hier over angst. Of die angst de wer­ke­lijk­heid is, of soms be­waar­heid wordt, moet ieder maar voor zich­zelf uit­ma­ken.

Met die op­stan­di­ge hou­ding be­vin­den wij ons in goed ge­zel­schap. In de Bij­bel staan ge­noeg ver­ha­len over men­sen die op­staan en de over­heid ter ver­ant­woor­ding roe­pen. Toen ook al werd er door de heer­sers geïr­ri­teerd ge­re­a­geerd. Dan druk ik het nog zwak­jes uit. Ik denk niet dat er toen al spin­doc­tors wa­ren die een pers­be­richt on­scha­de­lijk ma­ken, of de in­for­me­ren­de jour­na­list op het ver­keer­de been zet. Wat wij als ba­sis­groep soms doen, is dus van al­le tij­den.

Ik sluit af met de par­tij en frac­tie. Het ge­tuigt van lef en je kwets­baar dur­ven op­stel­len, als je als par­tij en frac­tie het mo­ge­lijk maakt een werk­groep als de ba­sis­groep te la­ten func­tio­ne­ren. Daar kun­nen an­de­re par­tij­en een voor­beeld aan ne­men.

Voor het ont­staan en het aar­den van de ba­sis­groep is één po­li­ti­cus van on­schat­ba­re waar­de ge­weest, na­me­lijk Frans Wol­ters. Dwars door alles heen bleef hij ons in­spi­re­ren en maakte hij het mo­ge­lijk dat we door gin­gen. Om hem daar­mee te eren heb­ben we als ba­sis­groep de Frans Wol­ters-prijs in­ge­voerd. Één­maal in de twee jaar wordt die uit­ge­reikt. Aan men­sen, or­ga­ni­sa­ties, ge­meen­ten die zich ver­dien­ste­lijk heb­ben ge­maakt, of iets op­mer­ke­lijks ge­daan en be­dacht heb­ben, op het ge­bied van so­cia­le ze­ker­heid. Het gaat dan niet met­een om iets groots. Het kan ook iets in het klein zijn. Iets in het ver­bor­ge­ne. Zoals mijn moe­der mij dat vroe­ger leer­de.
Met dit al­les wil ik zeg­gen, dat het CDA een op­mer­ke­lijk par­tij is. An­de­re par­tij­en is het niet ge­lukt om zo’n werk­groep in hun mid­den te heb­ben, of te dul­den. Ook al noe­men ze zich­zelf so­ciaal of pro­gres­sief. En denk nu niet dat die par­tij­en zo’n werk­groep niet no­dig heb­ben. Meer dan dat zelfs. Al was het maar om te be­gin­nen met so­ciaal op te tre­den bin­nen hun eigen par­tij.

Ter af­slui­ting, voor­zit­ter, hoop ik dat on­ze par­tij zich niet te veel laat af­lei­den, door rijk­dom en wel­vaart. Maar dicht bij de bron blijft die richt­snoer is in haar po­li­tiek den­ken en han­de­len. Ik spreek de wens uit dat de ba­sis­groep ook in de toe­komst zijn plaats blijft be­hou­den in de par­tij. Dat we sa­men op­trek­ken met par­tij en fractie. We zul­len heus nog wel een keer uit de pas lo­pen. Maar ik ben er diep van over­tuigd, dat we sa­men een sa­men­le­ving voor ogen heb­ben, waar een ieder tot zijn recht komt en dat­ge­ne krijgt waar hij recht op heeft. Dat we sa­men de­zelf­de sa­men­le­ving voor ogen heb­ben en daar­aan blij­ven wer­ken.

Ik hoop dat wij hier van­daag een ge­noeg­lij­ke dag heb­ben.

zondag 23 september 2007

Jubileum CDA-Basisgroep Sociale Zekerheid

De Basisgroep Sociale Zekerheid van het CDA viert op zaterdag 27 oktober 2007 haar twintigjarig jubileum met een bijeenkomst te Utrecht in het vergadercentrum Vredenburg 19.
Het thema van de bijeenkomst is: “Sociaal... Wanneer?”

Sprekers zijn onder meer onze premier Jan Peter Balkende, Eddy van Heijum (woordvoerder sociale zekerheid van de CDA-fractie in de Tweede kamer), Europarlementariër Ria Oomen-Ruijten en onze nieuwe partijvoorzitter Peter van Heeswijk.
Dagvoorzitter is Tineke Lodders-Elfferich; Lucas Bolsius zal haar als interviewer ondersteunen.
Het geheel wordt muzikaal opgeluisterd door het Landelijk EVA Dienstbodenkoor.

In het middagdeel wordt aandacht gevraagd voor gesprekken met sociaal-betrokken organisaties en personen. Er is ruim gelegenheid voor discussie.
Hierbij wordt een aantal stellingen ter sprake gebracht waaruit één stelling wordt uitgekozen. Deze stelling zal worden omgezet in een concept-resolutie die zal worden ingediend ter behandeling in het CDA-congres twee weken later, op zaterdag tien november 2007, eveneens te Utrecht.

De jubileumbijeenkomst van de Basisgroep is van 10.00 uur tot 17.00 uur. Meer informatie en aanmelden: dhr. Bart van der Pol, BartvanderPol@hetNet.NL, of tel. 0595 - 44 12 17.

woensdag 25 juli 2007

juli 2007: Column ‘De onderkant’ door Klaas Minimo

Column ‘De onderkant’

JUBILEUM
Da’s ook toevallig. Jullie bestaan 20 jaar? Ik zit nu twintig jaar in de bijstand. Die basisgroep heeft zich dus al die tijd ingezet voor mij, begrijp ik. Laat ik je zeggen dat ik daar nooit iets van ge­merkt heb. Ik ben er alleen maar op achteruit gegaan. Nou ja, die uitkering ging wel omhoog, maar de prij­zen, de huur en alles werd ook duur­der. Ik heb het gevoel dat ik steeds verder ben gaan ach­ter­lo­pen bij de werkende mensen. Kijk, er komen steeds meer nieuwe dingen bij, die ik niet kan kopen. Mo­biel­tjes, iPods, flat­screens, weet ik veel. Niet dat ik dat erg mis. Ik had een ouwe tv, die kapot ging. Bij de milieustraat mocht ik van die lui daar wel kijken of er een stond die het nog deed. Voor niks. Hij doet het nog. Kleren haal ik altijd bij het Leger der Heils. Bij de Voedselbank werd ik niet toe­ge­la­ten, want ik had geen schulden en moest van mijn bijstand kunnen rondkomen. Moet je nagaan. Ik word gestraft omdat ik oppassend ben en geen schulden heb. Ik ga elke dag op mijn oude fiets de wij­ken langs waar huisvuil wordt opgehaald. Daar vind ik nog vaak iets bruikbaars. Kom maar bij mij kij­ken. Ziet er best netjes uit.
Waar­om ik niet werk ? Ik loop slecht, kan niet lezen of schrijven. Mijn ouders en grootouders, had­den ook nooit werk. Alleen af en toe wat los werk, in het seizoen. Ik doe dat nu ook nog in de oogst. Ja zwart natuurlijk. Anders krijg je weer gedonder met die Rofjes. Nu weet ik dat ik alleen overal ‘nee’ op moet antwoorden. Dat kan ik nog net. Nee, dat vind ik geen fraude. Ik vraag ook nooit bij­zon­de­re bijstand, en daar zou ik best voor in aanmerking komen. Dat gat vul ik met wat zwart werk. Daar zit ik echt niet mee. Als ik maar geen papiertjes moet invullen. Maar nu wil de dienst mij aan het werk hebben. Een re-integratiebedrijf is bezig. Maar ik moet van hul­lie eerst maar vrij­wil­li­gers­werk gaan doen. Om wat arbeidsritme op te doen, zei die vent. Maar ik zie mijzelf geen vast werk krij­gen. Wat moeten ze nou met een gammele ouwe kerel van bijna veertig. Nee, ik heb geen gezin en dat is maar goed ook. Nou succes met jullie jubileum. Ik zie niet in waarom ik dat van mijzelf zou moe­ten vieren. Klaas Minimo

juli 2007: column PRIKKELDRAAD

· Soms schaam je je zo voor die idiote maatschappij waarin we leven, dat je je wel zou wil­len terug­trek­ken op een onbewoond eiland. Neem nou die Peter Paul de Vries van die aan­deel­hou­ders­club. Zo zielig, die ar­me aandeelhouders, die van de Hoge Raad niet mochten be­slis­sen over de verkoop van La Salle door Rijk­man Groenink van ABN-Amro. Erg toch, hè. Je zou maar aandeelhouder zijn en zo te pas ko­men!
· Waar maken aandeelhouders zich druk om? Louter en alleen welke winst er snel valt te pak­ken. En als het niet snel genoeg gaat, dealen en whee­len ze met wat hedge funds of zo, split­sen ze een bedrijf op of ver­ko­pen het uit. Waar je aandeelhouders nooit over hoort is over het belang van de onderneming voor ons land, het wegvloeien van arbeidsplaatsen naar verre landen, over de standpunten van de on­der­ne­mings­ra­den. Al­le­maal on­in­ter­es­sant.
· En waar ze zich al helemaal niet druk over maken, dat is de beloning van de bedrijfstop. Zo’n Bennink van Nu­mi­co die vorig jaar € 11.600.000 op­streek en nu met de uitverkoop aan Danone nog eens een pre­mie van dik €86 miljoen meekrijgt. Bestuurders die zichzelf vo­rig jaar bijna 15% meer beloning gaven, ter­wijl de bon­den moeten knokken voor 2% meer voor de werknemers. Hoe kun je met enig fat­soen zo met de bon­den on­der­han­de­len? Is er dan geen beschaving meer? Geen fatsoen? Nee, in die kringen van zelf-ver­rij­kers be­staan die niet meer. En de aan­deel­hou­ders vinden het allemaal prachtig, want een dief aan het hoofd zal zeker wel weten hoe hij zijn fi­nan­ciers te vriend moet houden.
· Wat betekent dat nou feitelijk voor de ontwikkelingen in de macht? Dat de bonden veel aan kracht ver­lo­ren heb­ben. Dat de consumenten al he­le­maal niks meer in de melk te brok­ke­len hebben. Dat de po­li­tie­ke par­tij­en ook met lege handen staan. Wel af en toe iets roepen over klep­to­cra­ten, zelf-verrijkers, maar maat­re­ge­len die de machtsverhoudingen rechttrekken? Niks hoor. Vrije markt is troef. Die heeft nu een­maal ook wat ver­ve­len­de bijeffecten, maar dat moet dan maar. Zie Wim Kok.
· Met een slecht geweten valt het licht voorbeelden te vinden ter rechtvaardiging. Hoor die profiteurs van het old boys-network: ‘Die top­sporters en artiesten verdienen toch ook enor­me vermogens ! En daar hoor je nie­mand over. Dus gewoon jaloezie!!! We kunnen toch niet ach­ter­blij­ven bij de rest van de we­reld? We moe­ten wel meegaan.’ Ik heb met ze te doen. De stakkers.
· Wat mij ook opvalt: al die fusies. In alle sectoren gaan die maar door. En niet alleen in het bedrijfsleven. Ook de woningcorporaties, on­der­wijs, zorg­sec­tor. De motieven daarvoor gaan meestal over efficiency, syn­er­gie, concurrentiepositie, etc. In de praktijk heb ik die voor­de­len nooit zo be­merkt. Wel dat de top met­een dras­tisch meer salaris vangt en een gro­te­re leasebak. En dat de bureaucratie groeit als kool, zo­dat de ef­fi­cien­cy­voor­de­len on­zicht­baar blijven. Schumpeter zei het ooit: ‘Small is beautiful’, maar dat past niet meer in een tijd dat alles moet gaan om mega, om super, om giga.
· Die kringetjes beschermen zichzelf. Besturen worden raden van toezicht of raden van com­mis­sa­ris­sen. Met al die fusies wordt dat krin­ge­tje steeds kleiner. En ondanks de richtlijnen van Morris Tabaksblatt, zie je dat – wil je meetellen in het old-boys-network – je toch al gauw een paar handen vol moet hebben aan zulke bijbaantjes.
· Nee, ik ben druk bezig uit te zoeken, waar ik al dit soort hoogbeschaafde aberraties ver van mij weet. Of ge­woon geen kranten meer lezen, geen ra­dio of tv meer. Werken en boe­ken lezen. Maar ja, dan krijg je een boek van Macchiavelli onder ogen en ontdek je dat er eigenlijk nooit iets ver­an­dert.

zondag 15 juli 2007

CDA-Basisgroep van en voor uitkeringsgerechtigden

CDA-Basisgroep neemt het op voor uitkeringsgerechtigden.

De CDA-Basisgroep Sociale Zekerheid, opgericht in 1986, telt in 2007 ongeveer dertig leden en tien agendaleden en herdenkt haar oprichting met een jubileumbijeenkomst eind oktober 2007 in Utrecht.
De Basisgroep overlegt vier maal per jaar in het gebouw van de Tweede Kamer met leden van de CDA-fractie en geeft gevraagd en ongevraagd advies aan deze fractie en aan het CDA-partijbestuur over sociale zekerheid, participatie, armoede en i.h.a. over onderwerpen die de positie van mensen met een uitkering betreffen.
Bij de behartiging van belangen van uitkeringsgerechtigden steunt de Basisgroep het partijbeleid van het CDA meestal op hoofdlijnen maar stelt zij zich dikwijls ook kritisch op.
Ervaring als uitkeringsgerechtigde is voorwaarde voor het lidmaatschap van de Basisgroep.