Sociaal…wanneer?
Sociaal wanneer luidt de titel van dit jubileumcongres.
Dat zijn gedachten die maar al te vaak door de hoofden gaan van mensen die om wat voor reden dan ook van een minimumuitkering moeten leven. Niet voor niets speelt deze gedachte ook vaak een rol in de discussies die basisgroep intern heeft of met onze gasten. Het zij Tweede Kamerleden, of mensen die wij uitnodigen.
Twintig jaar basisgroep en twintig jaar ervaringen uit de praktijk verwoorden en voor het voetlicht brengen. Moet je dan als voorzitter terugblikken of vooruitkijken?
Moet ik het over de partij hebben, ons CDA, die het als enige partij in Nederland heeft gepresteerd om een werkgroep van, voor en door uitkeringsgerechtigden in hun midden te hebben. Als ik partij zeg, bedoel ik daar uiteraard ook de Tweede Kamerfractie mee.
Moet ik het hebben over de pioniers Louis Flapper en Frans Wolters? Die met hun idee nou niet bepaald een warm onthaal hadden.
Moet ik hebben over de evangelische boodschap en de worsteling van CDA-politici hiermee in de praktische politiek van alledag. Vooral wat de positie van de minima en uitkeringsgerechtigden betreft.
Ik zal het allemaal aanstippen, maar ik begin met de mensen van de basisgroep en met degenen voor wie wij een stem proberen te zijn.
Zoals u misschien wel weet, moet je als je lid wil worden van de basisgroep een uitkering hebben of gehad hebben. Wat voor uitkering dan ook. Ervaringsdeskundige zijn op dat gebied. Dat hadden de mensen van het eerste uur goed gezien.
Niet over hen, maar met hen. Zelf vind ik het woord ervaringsdeskundige niet zo prettig om te gebruiken en in verband te brengen met de marge van het bestaan. Want dat is wel de werkelijkheid voor tachtig procent van de uitkeringsgerechtigden. Gebruik alstublieft niet het woord uitkeringstrekkers. In de pers duikt dat woord weer steeds vaker op. Het woord uitkeringsgerechtigde komt trouwens uit de basisgroep. Dat heeft de toenmalige Tweede Kamerfractie van het CDA overgenomen. Zo zie je maar.
Als je in een uitkeringssituatie zit of hebt gezeten, is er meestal iets gebeurd met je leven. Je komt niet zomaar in zo’n situatie. En al helemaal niet vrijwillig. Het overkomt je vaak ongevraagd. Je lichaam of geest functioneert niet zoals het zou moeten. Of je komt alleen te staan met je kinderen. Waardoor? Ik vind dat niet zo belangrijk.
Velen voelen zich in die situatie vaak machteloos. Zijn vaak ook woordeloos, vooral ook in het begin van een onverwachte uitkeringssituatie. De één komt in verzet, de ander blijft apathisch. Maar allemaal, uitzonderingen daargelaten, willen er weer uit. Weg van die wereld van eindeloze gesprekken, met welke instantie dan ook. De wereld van een niet ophoudende stroom van formulieren die ingevuld moeten worden. Transparant worden. Wie je bent. Hoe je leeft. Hoe komt het zo? Waar kom je vandaan? Het voelt of je naakt voor de spiegel staat, in een drukke winkelstraat.
Je wordt vaak zo moedeloos van al dat gedoe. Degenen die dit leven niet kennen, snappen er soms niets van. Daarom voelen we ons vaak in de steek gelaten. En als het dan slecht gaat met het land, volgens de wijze heren en dames, dan denken we vaak dat het onze schuld is. De eerste maatregelen die meestal worden getroffen, treffen ons vaak als eerste.
Dan worden er maatregelen uit de kast gehaald die we maar al te goed herkennen.
Korten op de uitkeringen.
Nog scherpere regels voor keuringen en herkeuringen en vervolgens een lagere uitkering.
Verscherpte toetredingsvoorwaarden.
En wat ons het hardste treft: de nullijn. Officieel aangekondigd of verborgen in het beleid. Ook wij moeten dan offers brengen. Bij ons is het dan ook echt een offer. Een rib uit ons lijf. Anders is het geen offer. Maar als we dan om ons heen kijken en zien dat de boel gewoon doordendert, dan worden we wel eens opstandig en cynisch. Alles groter en duurder. Steeds vaker en verder weg met tripjes en vakanties.
Dan geloven we niet meer in een overheid die volgens CDA-begrippen als een schild moet zijn voor de zwakke en moet opkomen voor de rechten van de arme.
Dan is het zo dat wij anders voelen. Anders analyseren. Anders rekenen dan de meeste instituten met hun koopkrachtplaatjes. Dat onze emoties eerder opspelen. Dat wij vaak andere conclusies trekken die degenen die het zeer goed gaat. Dat wij iets anders van de C en het Appèl verwachten dan de praktische politiek ons meestal brengt. Dat wij daarom dan ook anders in die partij van ons zitten.
Mogen wij een andere benadering verwachten van een partij zoals de onze, wat betreft uitkeringen en armoede? Wat onderscheidt een partij die uitdaging aan wil gaan door een C voor de naam te zetten en vanuit die C een appel doet, van andere partijen? Mogen wij van onze partij meer verwachten dan alleen een kille, financiële, economische benadering? Mogen we van zo’n partij meer verwachten dan het tot dogma verklaren van Europese regelgeving op financieel gebied?
Moet zo’n partij zich vooral laten leiden door fraude in de uitkeringswereld? Moet zo’n partij bang zijn dat onze concurrentiepositie met het buitenland verslechterd, als we de uitkeringen structureel verhogen? En wordt ons minimumloon dan echt te hoog?
Kortom, wat zie je als partij als doel en wat slechts als middel.
Ik ben van mening dat een partij die de Bijbel als richtsnoer neemt bij haar politiek denken en handelen, zich moet onderscheiden van partijen die dat niet doen.
In de Bijbel staan vele verhalen over gerechtigheid, rechtvaardigheid en barmhartigheid. En vooral oproepen daartoe in het oude testament. In het nieuwe testament vertelt Jezus vaak gelijkenissen om ons een spiegel voor te houden. Vaak zet hij zich rechtvaardig en gelovig noemende mensen voor het blok en te kijk.
In het verhaal van de ‘Barmhartige Samaritaan’ ligt er iemand langs de weg. Misschien wel langs de weg van het leven. Vol butsen en blaren. Gewond. Niet meer in staat zichzelf te helpen. Zichzelf te redden. Er lopen mensen langs hem heen van wie je mag verwachten dat zij, gezien hun positie en beroep, hem zouden helpen. Dat ze mededogen en barmhartigheid zouden tonen. Dus niet. Doof en blind zijn ze voor mensen die langs de gangbare paden van het leven zijn terecht gekomen.
In Matteus 25 houdt Jezus ons de vraag voor of we echt wel zien wie onze hulp nodig heeft. Voeden we de hongerige. Geven we de dorstige water. Geven we de vreemdeling onderdak. Geven de schamel geklede kleren. Zoeken we degenen op die gevangen zitten. Misschien wel in het leven.
De Bijbel wijst nergens rijkdom en welvaart af. Sterker nog, er komen nogal wat miljonairs in voor. Abraham, Jacob, natuurlijk Salomo, de rijke jongeling en de rijke man die Lazarus aan de poort liet zitten. Het roept op gebruik te maken van je talenten. Je talenten begraven en erop gaan zitten, wordt veroordeeld. Je blijft zitten waar je zit en komt geen stap verder. Maar er staat ook, dat je het niet alleen aan jezelf te danken hebt als je rijkdom verwerft. Dat rijkdom niet alleen toebehoort aan wie het verkrijgen. Je moet er afstand van kunnen doen. Je moet kunnen delen.
Vertaald naar deze tijd zou je kunnen zeggen dat de sterkste schouders de zwaarste lasten moeten dragen. Waarom moeten we dan, als het gaat om de nullijn, van het weinige dat we hebben nog inleveren. Waarom is de minimumuitkering niet zo hoog dat we alleen in het uiterste geval de bijzondere bijstand nodig hebben? Waarom moet ook iemand op het minimum een eigen bijdrage voor de zorg betalen? Waarom een herkeuring? Waarom kom je in de bijstand terecht, nadat je plotseling arbeidsgeschikt wordt verklaard, maar geen werkgever je wil hebben? Waarom is men toch zo bang om de uitkeringen, zoals in ons oude programma van uitgangspunten staat, de loonontwikkeling te laten volgen?
Ik kan u verzekeren dat ieder mens die gezond van lijf en leden is, misschien geholpen door medicatie, wil werken. Bezig wil zijn. Voldoening van het leven wil hebben. Trots op zichzelf wil zijn. Dan heb ik het over betaald werk, want dat geeft wel de meeste voldoening. Natuurlijk is dat er ook wel in het vrijwilligerswerk, maar dan gaat er eerst een strijd met jezelf en je omgeving aan vooraf. Dan heb ik het over het noodgedwongen verrichten van vrijwilligerswerk, omdat je geen betaald werk kunt krijgen. Blijf je in dat vrijwilligerswerk steken, dan wordt het gewoon werk. Soms wordt het zo gewoon, dat andere mensen voor hetzelfde werk betaald worden.
Participatie is maar een deel van ons verhaal. Het andere deel is, dat als je bent aangewezen op een uitkering, je geen zorgen hoeft te maken over het betalen van primaire levensbehoeften. Daartoe moet je in staat worden gesteld door de regering. Een regering waarin ons CDA slechts zelden niet participeert.
Dan ben ik weer terug bij ons CDA. En ik zeg het klip en klaar. Die partij is ook van ons. Van de minima. De mensen die langs de weg staan van betaalde arbeid en welvaartsgroei. Dat wij dan opstandig reageren en onze stem verheffen, komt door de angst dat men ons niet begrijpt. Dat politici hun eigen beeld hebben van wat het is om aan de financiële onderkant te leven. We spreken dezelfde taal en toch verstaan we elkaar soms niet. De angst dat politici die geen boodschap hebben aan de C en het appel daarop er met de partij vandoor gaan. Let wel, ik heb het hier over angst. Of die angst de werkelijkheid is, of soms bewaarheid wordt, moet ieder maar voor zichzelf uitmaken.
Met die opstandige houding bevinden wij ons in goed gezelschap. In de Bijbel staan genoeg verhalen over mensen die opstaan en de overheid ter verantwoording roepen. Toen ook al werd er door de heersers geïrriteerd gereageerd. Dan druk ik het nog zwakjes uit. Ik denk niet dat er toen al spindoctors waren die een persbericht onschadelijk maken, of de informerende journalist op het verkeerde been zet. Wat wij als basisgroep soms doen, is dus van alle tijden.
Ik sluit af met de partij en fractie. Het getuigt van lef en je kwetsbaar durven opstellen, als je als partij en fractie het mogelijk maakt een werkgroep als de basisgroep te laten functioneren. Daar kunnen andere partijen een voorbeeld aan nemen.
Voor het ontstaan en het aarden van de basisgroep is één politicus van onschatbare waarde geweest, namelijk Frans Wolters. Dwars door alles heen bleef hij ons inspireren en maakte hij het mogelijk dat we door gingen. Om hem daarmee te eren hebben we als basisgroep de Frans Wolters-prijs ingevoerd. Éénmaal in de twee jaar wordt die uitgereikt. Aan mensen, organisaties, gemeenten die zich verdienstelijk hebben gemaakt, of iets opmerkelijks gedaan en bedacht hebben, op het gebied van sociale zekerheid. Het gaat dan niet meteen om iets groots. Het kan ook iets in het klein zijn. Iets in het verborgene. Zoals mijn moeder mij dat vroeger leerde.
Met dit alles wil ik zeggen, dat het CDA een opmerkelijk partij is. Andere partijen is het niet gelukt om zo’n werkgroep in hun midden te hebben, of te dulden. Ook al noemen ze zichzelf sociaal of progressief. En denk nu niet dat die partijen zo’n werkgroep niet nodig hebben. Meer dan dat zelfs. Al was het maar om te beginnen met sociaal op te treden binnen hun eigen partij.
Ter afsluiting, voorzitter, hoop ik dat onze partij zich niet te veel laat afleiden, door rijkdom en welvaart. Maar dicht bij de bron blijft die richtsnoer is in haar politiek denken en handelen. Ik spreek de wens uit dat de basisgroep ook in de toekomst zijn plaats blijft behouden in de partij. Dat we samen optrekken met partij en fractie. We zullen heus nog wel een keer uit de pas lopen. Maar ik ben er diep van overtuigd, dat we samen een samenleving voor ogen hebben, waar een ieder tot zijn recht komt en datgene krijgt waar hij recht op heeft. Dat we samen dezelfde samenleving voor ogen hebben en daaraan blijven werken.
Ik hoop dat wij hier vandaag een genoeglijke dag hebben.